Op zoek naar talentmomenten in de klas

Periode 2008-2010
De Rijksuniversiteit Groningen heeft een aantal deelprojecten uitgevoerd, voornamelijk in het primair onderwijs.  In alle projecten lag de focus op talentvol wetenschappelijk redeneren van jonge kinderen. Invalshoeken van de deelprojecten:
• Hoe is dit zichtbaar in de klas?
• Hoe komt dit talent tot stand in interactie met de context (‘de talentdriehoek’)?
• Hoe kunnen volwassenen (ouders en leerkrachten) deze talenten stimuleren?

Co-constructie
De deelprojecten zijn gebaseerd op de theorie van co-constructie. Dat wil zeggen: als kinderen een wetenschappelijke redenering construeren rond een concreet probleem, dan doen ze dat samen met een volwassene of een ander kind.
De universiteit observeert en analyseert de dynamiek van dit co-constructieproces in authentieke situaties. Dus bijvoorbeeld in de klas of tijdens spontane interactie tussen kinderen en ouders. Zo ontstaat beter inzicht in de manier waarop de wetenschappelijke nieuwsgierigheid en creativiteit van kinderen zich ontwikkelt.

De universiteit ontwikkelde een aantal meet- en codeerinstrumenten en diverse onderwijskundige, didactische en educatieve producten. Bij de onderwijskundige, didactische en educatieve producten gaat het om:
• Instrumenten die scholen helpen om zich te ontwikkelen in de lijn van de Talentenkracht-principes (denk aan een format voor directiegesprekken).
• Een pakket voor professionalisering en coaching van leerkrachten (op het gebied van wetenschap en techniekbevorderende activiteiten).
Er is bijvoorbeeld een individuele begeleidingsmodule voor onderbouwleerkrachten ontwikkeld, een Talentenkracht-nascholingsarrangement en een nascholingsarrangement voor pedagogisch medewerkers.
• Lespaketten.
Er is onder andere een tweedelig lespakket gemaakt voor de onderbouw, over onderwerpen als luchtstroming, luchtdruk, zwaartekracht, snelheid en traagheid.
• Lees-en-doe-boeken voor ouders en kinderen.

Periode 2012-2016
Twee onderzoeksprojecten staan centraal:
• Onderzoek naar de ‘talentmomenten’ in de klas en de manier waarop leerkrachten de talenten van kinderen in de klas kunnen stimuleren. Hiervoor worden leerkrachten van groep 5 t/m 8 geobserveerd.
• Een longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van het W&T-denken (wetenschap en techniek) bij individuele kinderen. Bij dit onderzoek zijn kinderen uit het reguliere onderwijs en het speciaal onderwijs betrokken. Hiervoor worden kinderen, leerkrachten en Pabo-studenten geobserveerd. Dit deelonderzoek moet inzicht geven in de relatie tussen het taalgebruik van leerkrachten en het wetenschappelijk redeneren/het taalgebruik van kinderen.

Samenwerking
De universiteit werkt intensief samen met:
• een aantal scholen, ouders en kinderen
• het Regionale Netwerk Noord Nederland (waaronder CEDIN en Klassewijzer)
• de lerarenopleidingen in Groningen, Friesland en Drenthe.